Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX6500

Datum uitspraak2006-05-18
Datum gepubliceerd2006-06-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4503 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om herziening van de afwijzing tot erkenning als vervolgingsslachtoffer.


Uitspraak

05/4503 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], Florida (USA), (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 18 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat te Haarlem, beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 14 juni 2005, kenmerk JZ/Z60/2005, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Aldaar is appellante niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Appellante, geboren in 1938, heeft in februari 1995 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde krachtens de Wet in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Zij heeft daarbij - voor zover hier van belang - aangegeven dat zij en haar zeven jaar oudere zus eind 1943 in de buurt van het Amstelhotel te Amsterdam door geüniformeerde mensen in een vrachtwagen zijn meegenomen en per trein, die onderweg beschoten is, vervoerd zijn naar een door soldaten bewaakte inrichting, waarvan haar moeder achteraf gezegd heeft dat het Neuengamme heette. Bij besluit van 22 juni 1995 is die aanvraag afgewezen op de grond dat verweerster niet heeft kunnen vaststellen dat appellante vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet. Verweerster heeft daarbij overwogen dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing vrijheidsberoving heeft ondergaan. Tegen dit besluit zijn van de kant van appellante geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. In juni 2004 heeft appellante zich tot verweerster gewend met het verzoek bovengenoemd besluit van 22 juni 1995 te herzien. Zij heeft daarbij een videotape overgelegd, waarop een getuige zou voorkomen die in hetzelfde kamp is geweest als appellante, alsmede naam en adres van die getuige vermeld. Bij besluit van 21 oktober 2004, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster dit verzoek afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die als zij destijds bekend waren geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid. De kwaliteit van de door appellante toegezonden videoband is, aldus verweerster, van te slechte kwaliteit om als bron van verificatie te dienen. Voorts heeft de door appellante genoemde getuige, die vermoedelijk op de videoband te zien is, niet gereageerd op het verzoek van verweerster om een getuigenverklaring af te leggen. De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad stelt allereerst vast dat het geding betrekking heeft op een verzoek om herziening aan verweerster op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet, teneinde alsnog als vervolgde te worden erkend en in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering. Ingevolge deze bepaling is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat in zaken als deze centraal de vraag of appellante bij haar verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar besluit van 22 juni 1995 niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien. De gemachtigde van appellante heeft aangevoerd - kort samengevat - dat uit de videoband blijkt dat appellante in Duitsland is geïnterneerd geweest tijdens de bezettingsjaren. Voorts is gewezen op twee in januari 2005 overgelegde psychiatrische rapporten waaruit ook zou blijken dat zij tengevolge van haar kampervaringen lijdt aan PTSS. Aan deze rapporten is verweerster ten onrechte voorbijgegaan, aldus de gemachtigde van appellante. Verweerster heeft naar aanleiding daarvan opgemerkt dat medische gegevens in beginsel eerst in de beoordeling betrokken worden indien is vastgesteld dat een aanvrager vervolging heeft ondergaan en dat dit laatste niet is vastgesteld. Ook de Raad is van oordeel dat de gegevens die van de kant van appellante bij haar herzieningsverzoek zijn ingebracht onvoldoende zijn om op grond daarvan alsnog te kunnen vaststellen dat appellante tijdens de jaren 1940-1945 vrijheidsberoving heeft ondergaan op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing. Van de persoon op de videoband, welke band volgens verweerster van zeer slechte kwaliteit was, is de identiteit niet komen vast te staan. Verweerster heeft de persoon van wie appellante naam en adres had opgegeven schriftelijk benaderd, maar die persoon heeft daarop niet gereageerd. Met betrekking tot de twee psychiatrische rapporten die zijn ingezonden onderschrijft de Raad de opvatting van verweerster dat die bij de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van vervolging in beginsel geen rol kunnen spelen, aangezien de daarin getrokken conclusies ten aanzien van een mogelijke internering van appellante slechts berusten op hetgeen deze daaromtrent zelf heeft meegedeeld. De Raad ziet dan ook geen grond het bestreden besluit niet in stand te laten. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) J.P. Schieveen.